ECLI:NL:CRVB:2017:1151
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontslag ambtenaar wegens plichtsverzuim door verboden contacten en niet-melding strafrechtelijke veroordelingen
Appellante was sinds 2003 werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen en had in 2014 een verzoek tot eervol ontslag ingediend, dat aanvankelijk werd verleend. Na een melding van Meld Misdaad Anoniem werd een onderzoek ingesteld waaruit bleek dat zij verboden contacten onderhield met een gedetineerde die op haar woonadres stond ingeschreven en dat zij meerdere keren strafrechtelijk was veroordeeld voor rijden onder invloed en het niet nakomen van de Leerplichtwet, zonder hiervan melding te maken.
De minister trok het eerdere ontslagbesluit in en legde appellante een disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag op vanwege ernstig plichtsverzuim. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat het plichtsverzuim bestond uit het onderhouden van een andere dan werkrelatie met een gedetineerde, het niet melden daarvan, en het niet melden van strafrechtelijke veroordelingen. De Raad vond het ontslag niet onevenredig gezien de aard en ernst van het plichtsverzuim, het belang van integriteit en veiligheid binnen de penitentiaire inrichting en het geschonden vertrouwen.
Het feit dat appellante nog korte tijd in dienst zou zijn, of haar lange dienstverband en de financiële gevolgen van ontslag, maakten dit oordeel niet anders. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het ontslag van appellante wegens ernstig plichtsverzuim wordt bevestigd.