ECLI:NL:CRVB:2016:516
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzoek om herziening van bestuursrechtelijke uitspraak inzake WW-uitkering niet-ontvankelijk verklaard
Verzoekster heeft bij brief van 11 november 2014 verzocht om herziening van een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad van 25 augustus 2014, betreffende de intrekking van haar WW-uitkering per 17 november 2008 wegens het niet tijdig verstrekken van gevraagde informatie.
Het UWV had de uitkering geschorst en ingetrokken omdat verzoekster onvoldoende inzicht gaf in haar activiteiten binnen het New Venture traject. De rechtbank en de Raad hadden eerder de besluiten van het UWV bevestigd. Verzoekster stelde dat een onderzoeksrapport uit 2009, dat zij pas in 2014 ontving, een nieuw feit vormde dat herziening rechtvaardigde.
De voorzieningenrechter oordeelde echter dat dit rapport niet tot een andere uitkomst had geleid omdat het niet betrof dat verzoekster de gevraagde informatie had verstrekt. Verzoekster stelde ook dat de gemachtigde van het UWV tijdens de zitting valse verklaringen had afgelegd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verzoek om herziening feitelijk gericht was op een reeds eerder met toepassing van artikel 8:88 Awb Pro gewezen uitspraak, en dat een dergelijk verzoek niet-ontvankelijk is omdat herziening van een herzieningsuitspraak niet past binnen het systeem van de Awb. Daarom werd het verzoek afgewezen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om herziening van de uitspraak is niet-ontvankelijk verklaard.