ECLI:NL:CRVB:2016:4968
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loondoorbetalingsverplichting werkgever bij hernieuwde arbeidsongeschiktheid werknemer na re-integratie
Werknemer was sinds 2001 in dienst als lasser en viel in 2008 uit wegens knieklachten. Na revalidatie hervatte hij in 2010 gedeeltelijk aangepaste werkzaamheden. In 2013 meldde hij zich opnieuw ziek met verslechterde knieklachten en vroeg een nieuwe WIA-uitkering aan. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe, maar stelde het bedrag op nihil vanwege het hogere loon dat de werkgever doorbetaalde.
Appellante (werkgever) stelde dat zij niet tot loonbetaling verplicht was omdat geen nieuwe re-integratieafspraken waren gemaakt die leidden tot nieuw bedongen arbeid. De rechtbank oordeelde dat de werkgever wel een nieuwe loondoorbetalingsplicht had omdat werknemer na eerdere uitval zijn eigen werk vrijwel volledig had hervat.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. Uit het niet verschijnen van appellante ter zitting volgde dat de Raad de vaststelling van het UWV dat de wijziging in takenpakket organisatorisch was en niet medisch, als juist aanneemt. Dit betekent dat de werknemer vanaf 2010 zijn eigen arbeid volledig heeft hervat, waardoor bij hernieuwde arbeidsongeschiktheid in 2013 een nieuwe loondoorbetalingsperiode van 104 weken ontstaat.
De Raad benadrukte dat de wetgever met de Amber-bepalingen geen uitzondering heeft gemaakt op de loondoorbetalingsplicht en dat het loon dat de werkgever betaalt in de berekening van de WIA-uitkering moet worden betrokken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de werkgever een nieuwe loondoorbetalingsplicht heeft bij hernieuwde arbeidsongeschiktheid na volledige hervatting van de eigen arbeid.