ECLI:NL:HR:2011:BQ8134
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen loonbetaling na 104 weken ziekte bij passende arbeid zonder wijziging bedongen arbeid
De zaak betreft een werknemer die sinds 1996 in dienst was en vanaf 1998 wegens ziekte arbeidsongeschikt raakte. Na hervatting verrichtte hij passende werkzaamheden die verschilden van de bedongen arbeid. Na 104 weken ziekte viel hij opnieuw uit en vorderde loondoorbetaling.
De kantonrechter kende de vordering toe, maar het hof wees deze af omdat geen expliciete wijziging van passende naar bedongen arbeid was overeengekomen en de werknemer hierop ook niet mocht vertrouwen. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat het wettelijke stelsel van loondoorbetaling en re-integratie (art. 7:629 en Pro 7:658a BW) niet meebrengt dat loon moet worden doorbetaald bij hernieuwde uitval na 104 weken als passende arbeid niet bedongen arbeid is geworden.
De Hoge Raad verwierp ook de subsidiaire en uiterst subsidiaire gronden van de werknemer, waaronder het beroep op redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 BW Pro) en de stelling dat de werkgever onvoldoende meewerkte aan re-integratie. De Hoge Raad oordeelde dat het stelsel niet wordt verstoord door deze situatie en dat een wettelijke of collectieve regeling nodig is om dit te wijzigen.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en veroordeelde de werknemer in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de werkgever niet verplicht is loon door te betalen na 104 weken ziekte bij passende arbeid die niet de bedongen arbeid is geworden.