ECLI:NL:CRVB:2016:424
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek nieuwe salarisberekening en terugvordering pensioenpremie
Appellante was vanaf 1999 werkzaam bij een overheidsdienst met een tijdelijke aanstelling, waarna zij in 2005 alsnog een vaste aanstelling kreeg met terugwerkende kracht tot 2001. Bij de salarisnabetaling over 2001-2005 werd ten onrechte een deeltijdfactor niet toegepast, wat leidde tot een te hoge uitbetaling en foutieve pensioenpremieaanmelding bij het ABP. De minister vorderde een bedrag terug en handhaafde dit na bezwaar.
Appellante verzocht later om een nieuwe, gedetailleerde maandelijkse berekening inclusief wettelijke rente en pensioenpremiegegevens, omdat zij twijfelde aan de juistheid van de eerdere berekening en de gevolgen voor haar pensioen. De minister wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren zoals vereist op grond van artikel 4:6 Awb Pro.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep stelde appellante dat zij niet kon kiezen voor de pensioenpremieafdracht en dat de terugvordering niet op een correcte salarisberekening was gebaseerd.
De Raad oordeelde dat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die een herziening rechtvaardigen. Haar argumenten waren reeds bekend en behandeld. Daarom bevestigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en verwierp het hoger beroep. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek om een nieuwe berekening en terugdraaien van de pensioenpremieaanmelding wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.