ECLI:NL:CRVB:2013:2954
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering salaris en afwijzing schadevergoeding ambtenaar
Appellante was vanaf 1999 werkzaam bij Rijkswaterstaat met een tijdelijke aanstelling die later werd omgezet in een vaste aanstelling. De minister betaalde haar over de jaren 2001 tot en met 2005 te veel salaris uit, wat zij terugvorderde na advies van een onafhankelijke deskundige. Appellante betwistte de hoogte van het terug te vorderen bedrag en vorderde daarnaast schadevergoeding wegens misgelopen bezoldiging, secundaire arbeidsvoorwaarden en immateriële schade.
De Raad oordeelde dat het advies van de deskundige zorgvuldig en consistent was en dat appellante met het vastgestelde bedrag van €8.488,27 niet te kort werd gedaan. Haar eigen berekeningen waren onvoldoende onderbouwd. Het verzoek om schadevergoeding werd ingetrokken tijdens de zitting, waarna de Raad het verzoek alsnog afwees. De Raad overwoog dat de spaarloonregeling reeds was gecompenseerd, pensioenpremies buiten de procedure vielen, en dat carrièreschade onvoldoende aannemelijk was gemaakt.
Ook werd geoordeeld dat het ontbreken van een rechtsmiddelenverwijzing in een brief van de minister geen additionele schade veroorzaakte en dat immateriële schade niet toewijsbaar was omdat de psychische klachten onvoldoende direct verband hielden met het besluit. De aangevallen uitspraken van de rechtbank werden bevestigd en de hoger beroepen van appellante werden verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van €8.488,27 en wijst het verzoek om schadevergoeding af.