Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) een rentedragende lening voor bedrijfskapitaal. Na beëindiging van zijn bedrijfsactiviteiten werd het restant van de lening teruggevorderd door het bestuur op grond van een opeisbaarheidsbeding en de Wet werk en bijstand (WWB).
De rechtbank had het terugvorderingsbesluit vernietigd en de rechtsgevolgen in stand gelaten, stellende dat het bestuur bevoegd was tot terugvordering op grond van artikel 41, vierde lid, Bbz 2004 en tot verrekening op grond van artikel 60 WWB Pro. Appellant ging hiertegen in hoger beroep en betoogde dat het Bbz lex specialis is en dat de terugvordering en verrekening niet volgens de WWB maar volgens het Bbz moeten plaatsvinden.
De Raad oordeelt dat appellant sinds de bedrijfsbeëindiging geen zelfstandige meer is en dat artikel 43 Bbz Pro 2004 van toepassing is, dat bepaalt dat gedurende vijf jaar na beëindiging slechts 50% van het inkomen boven de bijstandsnorm voor aflossing moet worden besteed, en dat in deze fase nog geen terugvordering mogelijk is. Het bestuur was daarom niet bevoegd tot terugvordering en verrekening zoals toegepast. Het besluit van 13 december 2012 wordt herroepen.
Verder wijst de Raad het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af omdat de procedure nog binnen de termijn van vier jaar bleef. Het bestuur wordt veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en kosten van appellant.
Uitkomst: Het terugvorderingsbesluit wordt herroepen en het bestuur wordt veroordeeld tot rentevergoeding en kosten, terwijl het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn wordt afgewezen.