ECLI:NL:CRVB:2016:1863
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande, terwijl zij feitelijk een gezamenlijke huishouding voerde met appellant, haar voormalige echtgenoot. De Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda trok de bijstand in en vorderde de ten onrechte ontvangen bedragen terug, omdat appellante de gezamenlijke huishouding niet had gemeld.
De Raad beoordeelde of appellant zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres van appellante, waarbij het onweerlegbaar rechtsvermoeden uit de WWB werd toegepast vanwege hun gezamenlijke kind. Uit verklaringen van appellanten, waarnemingen door sociale recherche en huisbezoek bleek dat zij feitelijk samenwoonden.
Appellanten voerden aan dat de verklaringen onder druk waren afgelegd en dat appellant elders woonde, maar deze stellingen werden verworpen. De onderzoeksbevoegdheid van de Commissie werd bevestigd en de waarnemingen waren niet in strijd met privacyregels.
De Raad concludeerde dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden, waardoor bijstand ten onrechte was verstrekt. De intrekking en terugvordering van €41.233,22 werden daarom bevestigd. De hoger beroepen werden ongegrond verklaard en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding worden bevestigd.