ECLI:NL:CRVB:2016:1825
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek herziening besluit gelijkstelling vervolgingsslachtoffer
Appellant, geboren in 1955, verzocht in 1992 om gelijkstelling met de vervolging van zijn vader op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Dit verzoek werd aanvankelijk afgewezen omdat de vader niet voldeed aan de criteria van vervolging volgens de Wuv. Na diverse procedures en een eerdere vernietiging wegens het niet horen van appellant, bleef het bezwaar ongegrond verklaard. In 2013 vroeg appellant om herziening van deze afwijzing, stellende dat de vader ondergedoken moest zijn geweest om aan vrijheidsberoving te ontkomen.
De Raad oordeelt dat sinds 1994 alleen personen die zelf vervolging hebben ondergaan gelijkgesteld kunnen worden, en dat appellant als naoorlogs geboren persoon niet tot die groep behoort. Het beleid van verweerder om alleen te herzien bij aperte, verwijtbare fouten wordt als redelijk beoordeeld. Nieuwe gegevens moeten tijdig worden overgelegd, wat hier niet is gebeurd. Er is geen bewijs dat verweerder destijds onzorgvuldig heeft gehandeld.
Verder wordt erkend dat de vader van appellant een actieve verzetsrol had, maar dat dit niet leidde tot onderduik in de zin van de Wuv. De Raad concludeert dat het beroep ongegrond is en wijst het verzoek tot herziening af zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot herziening van het besluit afgewezen.