ECLI:NL:CRVB:2017:955

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 maart 2017
Publicatiedatum
9 maart 2017
Zaaknummer
16/4383 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
3 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herhaald verzoek toekenning Wuv wegens ontbreken aperte fout

Appellant, geboren in 1968, heeft meerdere verzoeken ingediend om als tweede generatie-oorlogsslachtoffer gelijkgesteld te worden op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Deze verzoeken zijn vanaf 1994 herhaaldelijk afgewezen omdat de psychische klachten niet in overwegende mate verband houden met de vervolgingsgevolgen van zijn ouders en er geen aperte fouten zijn gemaakt bij eerdere beoordelingen.

In 2015 diende appellant opnieuw een verzoek in, dat bij besluit van 12 januari 2016 werd afgewezen en na bezwaar gehandhaafd. De Centrale Raad van Beroep heeft dit besluit bevestigd en het beroep ongegrond verklaard. De Raad verwijst naar het beleid sinds de wetswijziging van 15 juli 1994, waarbij personen geboren na de oorlog niet meer gelijkgesteld kunnen worden tenzij sprake is van een aperte, verweerder verwijtbare fout.

De Raad oordeelt dat deze fout niet is aangetoond en dat eerdere uitspraken, waaronder die van 10 mei 2012, dit standpunt ondersteunen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in aanwezigheid van griffier A.M. Pasmans.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het herhaald verzoek om toekenning op grond van de Wuv wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

16/4383 WUV
Datum uitspraak: 9 maart 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 26 mei 2016, kenmerk BZ01961631 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2016. Daar zijn namens appellant verschenen [A], [B] en [C]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Pieterse

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, geboren in 1968, heeft in 1994 een aanvraag ingediend om als zogenoemd tweede generatie-oorlogsslachtoffer met de vervolgde in de zin van de Wuv te worden gelijkgesteld. Die aanvraag is afgewezen op de grond dat de psychische klachten van appellant niet in overwegende mate verband houden met de vervolgingsgevolgen van zijn ouders. Het tegen die afwijzing, zoals na bezwaar gehandhaafd, ingestelde beroep is bij uitspraak van 28 oktober 1999, 97/7049 WUV, ongegrond verklaard.
1.2.
Een in oktober 2002 door appellant ingediend verzoek om toekenningen op grond van de Wuv is afgewezen op de grond dat bij de eerdere beoordeling geen aperte, verweerder verwijtbare, fouten zijn gemaakt. Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
1.3.
Een verzoek van appellant van oktober 2010 om de eerdere afwijzing te herzien is door verweerder eveneens afgewezen. Het tegen deze afwijzing, zoals na bezwaar gehandhaafd, ingestelde beroep is door de Raad bij uitspraak van 10 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5472, ongegrond verklaard.
1.4.
In september 2015 heeft appellant opnieuw verzocht om toekenningen op grond van de Wuv. Dat verzoek is door verweerder afgewezen bij besluit van 12 januari 2016 en na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit op de grond dat (ook nu) niet is gebleken dat verweerder bij de afwijzing destijds een (aperte) fout heeft gemaakt.
2. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.
2.1.
Sinds de wetswijziging van 15 juli 1994 is het niet meer mogelijk om personen die na de oorlog zijn geboren, zoals appellant, met de vervolgden in de zin van de Wuv gelijk te stellen. Wat betreft verzoeken van na de oorlog geborenen om herziening van besluiten op aanvragen van vóór 15 juli 1994, voert verweerder het beleid dat deze verzoeken alleen dan worden ingewilligd als bij het besluit waarvan herziening wordt verzocht, een aperte, verweerder verwijtbare fout is gemaakt. De Raad heeft dit beleid al meermalen aanvaard (bijvoorbeeld de uitspraak van 19 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1825).
2.2.
In dit geval heeft de Raad zich al tweemaal eerder over de situatie van appellant gebogen. Reeds naar aanleiding van het herzieningsverzoek uit 2010 is geoordeeld dat bij de oorspronkelijke beoordeling door verweerder geen verwijtbare fout is gemaakt als bedoeld onder 2.1. Er is geen reden hierover thans anders te oordelen.
2.3.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2017.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) A.M. Pasmans

HD