Uitspraak
17.4522 WUV
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1969, verzocht in 1994 om gelijkstelling met zijn moeder als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Dit verzoek werd afgewezen omdat zijn psychische klachten niet in overwegende mate verband hielden met de vervolging van zijn moeder. In 2016 vroeg appellant om herziening van deze afwijzing, wat werd geweigerd door verweerder.
De Raad beoordeelde dat de wetswijziging van 15 juli 1994 het criterium aanscherpte tot personen die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 vervolgd waren, waardoor appellant, geboren na de oorlog, niet tot deze groep behoort. Verweerder handhaafde het beleid dat herziening alleen mogelijk is bij aperte, verwijtbare fouten in het oorspronkelijke besluit.
De medische beoordeling destijds, gebaseerd op informatie van behandelaars en een geneeskundig adviseur, concludeerde dat de klachten van appellant niet hoofdzakelijk voortkwamen uit de vervolging van zijn moeder. Nieuwe medische vaststellingen uit 2015 konden gezien het tijdsverloop niet leiden tot een andere beoordeling. De Raad oordeelde dat geen sprake was van een aperte fout en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit wordt bevestigd.