ECLI:NL:CRVB:2016:1267
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen ontheffing arbeidsverplichting en verrekening proceskosten in WWB-zaak
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB en werden geconfronteerd met een besluit tot intrekking en terugvordering vanwege niet opgegeven bankrekeningen en schenkingen. Na heraanvraag werd bijstand verleend onder arbeidsverplichtingen en een aanvullende verplichting tot het aanleveren van bankafschriften.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor de aanvullende verplichting en de wegingsfactor van de bezwaarkostenvergoeding, maar wees het overige beroep af. In hoger beroep handhaafden appellanten hun bezwaren tegen de arbeidsverplichtingen en de verrekening van de kostenvergoeding.
De Raad oordeelde dat geen dringende medische redenen bestonden voor ontheffing van de arbeidsverplichtingen, dat verrekening van de proceskostenvergoeding met de vordering op appellanten geoorloofd is, en dat de waarde per procespunt verhoogd moet worden naar €496. De rechtbankuitspraak werd vernietigd voor zover het de kostenveroordeling betreft en het dagelijks bestuur werd veroordeeld tot betaling van in totaal €2.480 aan proceskosten, inclusief vergoeding van het griffierecht.
Het verzoek tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente werd afgewezen. De uitspraak bevestigt de arbeidsverplichtingen en regelt de juiste hoogte en verrekening van proceskosten in bestuursrechtelijke WWB-zaken.
Uitkomst: Geen ontheffing van arbeidsverplichtingen, proceskostenvergoeding verhoogd en verrekend, verzoek schadevergoeding afgewezen.