ECLI:NL:CRVB:2016:1173
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid college tot buiten behandeling stellen bijstandsaanvraag op grond van artikel 4:5 Awb bevestigd
Appellante diende een aanvraag om bijstand in op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college verzocht haar om aanvullende gegevens, waaronder bewijs van schulden en een bewijs van inschrijving op het adres waar zij feitelijk verblijft. Omdat appellante deze gegevens niet tijdig verstrekte, stelde het college de aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante in hoger beroep ging. Zij voerde aan dat het college een misbruik van bevoegdheid maakte door de aanvraag buiten behandeling te stellen in plaats van inhoudelijk af te wijzen, mede omdat zij telefonisch of per e-mail bereikbaar was en de brief niet tijdig had kunnen lezen.
De Raad oordeelde dat het college niet verplicht was op een andere wijze dan per brief te communiceren en dat appellante zelf verantwoordelijk was voor het tijdig openen van haar post. Verder stelde de Raad dat artikel 4:5 Awb Pro ook geldt voor bijstandsaanvragen en dat het college bevoegd was de aanvraag buiten behandeling te stellen wanneer noodzakelijke gegevens ontbraken. Er was geen sprake van misbruik van bevoegdheid. De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aanvraag om bijstand mag buiten behandeling worden gesteld wegens onvoldoende gegevens.