ECLI:NL:CRVB:2016:1134
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering naar thuiswonende norm wegens niet-wonen op gba-adres
Appellante ontving studiefinanciering op basis van de norm voor uitwonende studenten voor de jaren 2012 en 2013. De minister voerde een onderzoek uit naar haar woonsituatie, waarbij huisbezoeken op het geregistreerde adres (gba-adres) plaatsvonden. Uit het rapport en de verklaring van de hoofdbewoner bleek dat appellante sinds eind september 2013 niet meer op het gba-adres woonde.
De minister herzag daarop de studiefinanciering met ingang van 1 januari 2012 naar de norm voor thuiswonende studenten en vorderde het te veel betaalde bedrag terug. Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen, en ook de rechtbank verklaarde haar beroep ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij wel op het gba-adres woonde voorafgaand aan het huisbezoek en dat de minister onvoldoende bewijs had geleverd.
De Raad oordeelde dat de minister aan zijn bewijslast had voldaan met het huisbezoek en de verklaring van de hoofdbewoner. Appellante slaagde er niet in om met overtuigend en objectief bewijs aan te tonen dat zij in de periode voorafgaand aan het huisbezoek op het gba-adres woonde. Verklaringen van familie en vrienden waren onvoldoende concreet en niet ondersteund door andere bewijsstukken. De Raad vond ook dat het niet horen van appellante voorafgaand aan het herzieningsbesluit niet leidde tot een ander oordeel.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2016.
Uitkomst: De herziening van studiefinanciering naar de thuiswonende norm met terugvordering wordt bevestigd.