ECLI:NL:CRVB:2016:86
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering naar thuiswonende norm en terugvordering
Appellante was ingeschreven op een adres waaruit bleek dat zij volgens de minister niet daadwerkelijk woonde. Na een huisbezoek door controleurs en een verklaring van de hoofdbewoner werd geconcludeerd dat appellante niet op het adres verbleef. De minister herzag daarop de studiefinanciering van uitwonend naar thuiswonend en vorderde te veel betaalde bedragen terug.
Appellante betwistte dit en voerde onder meer aan dat de toestemming voor het huisbezoek niet rechtsgeldig was en dat haar broer onder druk zijn verklaring had afgelegd. De Raad oordeelde dat de toestemming van de hoofdbewoner voldoende was en dat er geen sprake was van onaanvaardbare druk. Ook ontbraken persoonlijke spullen van appellante in de gecontroleerde kamer, wat het oordeel ondersteunde dat zij daar niet woonde.
De Raad bevestigde dat de minister aan zijn bewijslast had voldaan en dat het wettelijk vermoeden dat appellante niet woonde op het adres gedurende de relevante periode niet was weerlegd. De rechtbank had het bezwaar van appellante terecht ongegrond verklaard en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak.
Uitkomst: De herziening van studiefinanciering naar thuiswonende norm en terugvordering wordt bevestigd.