ECLI:NL:CRVB:2016:1004
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB als alleenstaande ouder, terwijl zij in werkelijkheid een gezamenlijke huishouding voerde met appellant. Na een fraudeonderzoek, waarbij onder meer observaties, dossieronderzoek en een woningdoorzoeking plaatsvonden, concludeerde het college dat appellante onterecht bijstand ontving en besloot de bijstand in te trekken en terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het college terecht de gezamenlijke huishouding vaststelde op basis van verklaringen van appellanten en getuigen, en dat het gebruik van camera-observaties en andere onderzoeksmiddelen proportioneel en subsidiarisch was, ondanks de inbreuk op het privéleven.
Voorts werd geoordeeld dat de verklaring van appellant rechtsgeldig was afgelegd en dat de inschrijving op verschillende adressen niet uitsluit dat het hoofdverblijf gezamenlijk was. De motieven voor het samenwonen zijn irrelevant voor de vaststelling van de gezamenlijke huishouding. De terugvordering van de bijstand is daarom terecht en het hoger beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding worden bevestigd.