ECLI:NL:CRVB:2015:76
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verrekening en terugvordering bijstand na ontvangen bedragen van grootouders
Appellant ontving een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ), later omgezet naar bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college stelde vast dat appellant gedurende enkele maanden bedragen van zijn grootouders ontving, die het college als giften aanmerkte en verrekende met de bijstand. Appellant stelde dat het om leningen ging en dat de verrekening onterecht was.
De rechtbank oordeelde dat alleen daadwerkelijk ontvangen giften mogen worden verrekend en verklaarde het bezwaar van appellant deels gegrond. Het college ging in hoger beroep tegen dit oordeel. De Raad beoordeelde of de bedragen als inkomen moesten worden aangemerkt, ongeacht of het giften of leningen betrof, en of het college terecht de bijstand had herzien en teruggevorderd wegens schending van de inlichtingenplicht.
De Raad oordeelde dat de bedragen die appellant van zijn grootouders ontving, waarover hij vrijelijk kon beschikken, als inkomen in de zin van de WWB moeten worden beschouwd. De stelling dat het leningen waren, was onvoldoende aannemelijk gemaakt met concrete, objectieve en verifieerbare gegevens. Verder was sprake van schending van de inlichtingenplicht door appellant. Het college mocht daarom de bijstand herzien, terugvorderen en de bedragen verrekenen met de bijstand over de betreffende maanden.
De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep van appellant af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de bedragen van grootouders als inkomen gelden en dat het college terecht de bijstand heeft herzien, teruggevorderd en verrekend.