ECLI:NL:CRVB:2015:5008

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 juli 2015
Publicatiedatum
24 oktober 2016
Zaaknummer
15/480 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening pensioenfunctie-indeling ambtenaar

Verzoeker heeft een verzoek om herziening ingediend tegen een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 september 2014, waarin zijn bezwaar tegen de functie-indeling en pensioenberekening werd afgewezen. Hij stelde dat hij ook na 2001 ernstig psychisch en fysiek ziek was en dat zijn pensioen onjuist was vastgesteld vanwege een te lage functie-indeling.

De Raad overwoog dat herziening slechts mogelijk is op grond van feiten of omstandigheden die vóór de uitspraak hebben plaatsgevonden, die bij de verzoeker niet bekend waren en die tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden. De aangevoerde feiten en omstandigheden waren echter al bekend of hadden aan de orde kunnen worden gesteld in de eerdere procedure.

De Raad concludeerde dat de stellingen van verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatten en dat het verzoek om herziening daarom niet ontvankelijk is. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Het verzoek om herziening wordt afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

15/480 AW, 15/481 AW
Datum uitspraak: 23 juli 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 4 september 2014, 14/1533 AW, 14/1534 AW (ECLI:NL:CRVB:2014:2919)
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft om herziening verzocht van bovenvermelde uitspraak van de Raad.
De staatssecretaris heeft daarop gereageerd.
Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2. Bij zijn uitspraak heeft de Raad de niet-ontvankelijkverklaring door de staatssecretaris wegens termijnoverschrijding van het bezwaar van verzoeker van 23 april 2013 tegen het besluit van 29 januari 1988 in stand gelaten. Voorts heeft de Raad de ongegrondverklaring door de staatssecretaris van het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van zijn verzoek van 7 maart 2013 om de inschaling van de functie die hij laatstelijk verrichtte met terugwerkende kracht tot 1 juli 1987 te herzien, in stand gelaten.
3. Verzoeker heeft aan zijn herzieningsverzoek ten grondslag gelegd dat, anders dan is vermeld in de uitspraak, hij ook na 2001 ernstig psychisch en fysiek ziek was en hij niet tot 2013 heeft berust in zijn positie. Tot aan 2013 had hij geen besef van hetgeen hem is aangedaan door zijn werkgever, toen pas werd hem duidelijk dat een collega die lager gekwalificeerd werk had verricht een pensioen ontvangt dat twee maal zo hoog is. Door de te lage indeling van de functie die hij laatstelijk verrichtte voordat hij met ingang van 1 januari 1992 gebruikt maakte van de VUT, is zijn pensioen te laag vastgesteld, met als gevolg dat hij schade heeft geleden in de vorm van gemiste pensioeninkomsten. Volgens verzoeker is zijn bezwaar van 23 april 2013 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, omdat wel sprake was van nieuwe feiten en omstandigheden. Een nieuw feit was bijvoorbeeld dat de voordracht van zijn diensthoofden voor een hogere functie-indeling is genegeerd, waardoor zijn functie op de voor zijn werkgever meest voordelige wijze is ingedeeld in een onjuiste en te lage categorie. De algemene tekst van het besluit van 29 januari 1988 weerspiegelt niet de functie die hij destijds vervulde, zo stelt verzoeker. Verzoeker heeft voorts uiteengezet om welke redenen hij de uitspraak onjuist acht.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid, een nieuwe discussie over de betrokken uitspraak te openen.
4.2.
Vastgesteld moet worden dat hetgeen verzoeker heeft aangevoerd niet kan worden aangemerkt als feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van Pro de Awb. De feiten en omstandigheden waarop verzoeker zich beroept, zijn in de procedure die tot de uitspraak van de Raad heeft geleid ook aan de orde geweest, dan wel hadden in die procedure aan de orde kunnen worden gesteld. De stelling van verzoeker dat de overweging in de uitspraak dat hij in ieder geval na 2001 niet meer op psychische gronden ziek was, niet juist is, behelst, wat daarvan overigens ook zij, niet een omstandigheid die verzoeker vóór de uitspraak niet bekend was en redelijkerwijs niet bekend kon zijn, nog daargelaten of deze stelling tot een ander oordeel had kunnen leiden.
4.3.
Uit het vorenstaande volgt dat het verzoek moet worden afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2015.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) P.W.J. Hospel

HD