ECLI:NL:CRVB:2017:1018

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 maart 2017
Publicatiedatum
14 maart 2017
Zaaknummer
15/7798 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 AwbArt. 6:15 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening salarisverhoging ambtenaar Belastingdienst

Verzoeker, voormalig ambtenaar bij de Belastingdienst, verzocht om herziening van eerdere uitspraken waarin werd beslist over een vermeende salarisverhoging die hem in 1987 en 1988 zou zijn onthouden. Hij stelde dat nieuwe feiten en documenten, waaronder een instructie uit 1978 en informatie over functiewaardering, hem pas na de eerdere uitspraak bekend werden.

De Raad overwoog dat het bijzondere middel van herziening niet bedoeld is om een hernieuwde discussie over de zaak te voeren of de juistheid van eerdere uitspraken te betwisten. De stukken waarop verzoeker zich beroept dateren van vóór de eerdere uitspraak en waren destijds al bekend of redelijkerwijs bekend te zijn.

Daarom werd geconcludeerd dat niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht voor herziening. Tevens werd het verzoek tot terugbetaling van griffierechten afgewezen omdat herziening niet mogelijk is.

De Raad wees het verzoek om herziening af en zag geen aanleiding voor veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door B.J. van de Griend op 9 maart 2017.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van eerdere uitspraken wordt afgewezen omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8:119 Awb.

Uitspraak

15/7798 AW, 15/8085 AW
Datum uitspraak: 9 maart 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraken van de Raad van
4 september 2014, 14/1533 AW en 14/1534 AW, en 23 juli 2015, 15/480 AW en 15/481 AW
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft om herziening verzocht van de uitspraken van de Raad van 4 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2919, 14/1533 AW en 14/1534 AW, en 23 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:5008, 15/480 AW en 15/481 AW.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben toestemming gegeven voor afdoening buiten zitting. Hierna is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.2.
Verzoeker was tot 1 januari 1992 werkzaam bij de Belastingdienst, onderdeel [onderdeel] . Aan verzoeker is eervol ontslag verleend, waarbij hij gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om vervroegd met pensioen te gaan. In 2013 heeft verzoeker de staatssecretaris verzocht om te onderzoeken of aan hem in 1987 en 1988 een salarisverhoging is onthouden. De staatssecretaris is daar niet aan tegemoetgekomen en dat heeft geleid tot een tweetal procedures waarin de Raad uitspraak heeft gedaan op 4 september 2014.
1.3.
Bij zijn uitspraak van 23 juli 2015 heeft de Raad het verzoek van verzoeker om herziening van de uitspraak van 4 september 2014 afgewezen. Daartoe heeft de Raad samengevat overwogen dat wat verzoeker had aangevoerd niet kon worden aangemerkt als feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De stelling van verzoeker dat de overweging in de uitspraak van 4 september 2014 dat hij in ieder geval na 2001 niet meer op psychische gronden ziek was niet juist is, is niet een omstandigheid die verzoeker voor de uitspraak niet bekend was en redelijkerwijs niet bekend kon zijn.
2. Verzoeker heeft, onder verwijzing naar diverse stukken, betoogd dat de staatssecretaris hem ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor inkomen dat hem ten tijde van zijn aanstelling is onthouden. Verzoeker stelt dat hij sinds half augustus 2015 weet dat de destijds door het Ministerie van Financiën aan hem toegekende functiewaardering was gebaseerd op de reeds lang achterhaalde taakomschrijvingen door de dienstgeleider van de [post] van 27 september 1972 en het daaraan voorafgaande besluit van het bestuur der Rijksbelastingen in Limburg van 4 september 1972. Dat feit was hem niet bekend vóór de uitspraak van 23 juli 2015. Uit een instructie voor het gebruik van de semafoonontvanger, gedateerd 29 september 1978, volgt dat hij een leidinggevende functie had, nu de uitreiking van dat materiaal uitdrukkelijk was voorbehouden aan leidinggevenden. Die instructie was bij hem weliswaar bekend, maar hij had hem niet meer in bezit en heeft hem pas in september 2015 gekregen van een collega. Tevens heeft verzoeker erop gewezen dat een collega die thans met pensioen gaat en in een functie in een lagere schaal was aangesteld, een vertrekpremie van € 46.000,- heeft ontvangen en een hoger pensioen ontvangt dan verzoeker. Verzoeker heeft nog diverse stukken die dateren uit de tijd dat hij in dienst was. Verzoeker heeft de Raad verzocht te bepalen dat de staatssecretaris alle griffierechten die hij heeft betaald aan hem vergoedt, omdat de staatssecretaris in 2013 de procedures bij de rechtbank heeft aangebracht met toepassing van artikel 6:15 van Pro de Awb. Dat heeft tot gevolg gehad dat hij voor de zaaknummers 14/1533 AW en 14/1534 en voor de beide procedures 15/481 AW en 15/482 AW apart griffierecht heeft moeten betalen, terwijl bij de rechtbank voor de gedingen ROE 13/3404 en ROE 13/1917 tezamen één keer griffierecht is geheven. Met betrekking tot het griffierecht dat hij heeft betaald voor zijn procedures bij de Raad heeft verzoeker toegelicht dat zijn verzoek om kwijtschelding van griffierecht wegens betalingsonmacht in de onderhavige procedure ten onrechte is afgewezen.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.2.
De Raad overweegt dat volgens vaste rechtspraak het bijzondere middel van herziening niet is gegeven om - eventueel op basis van andere argumenten - een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. Het betoog van verzoeker is een herhaling van wat hij eerder heeft aangevoerd en de stukken waarop hij zich beroept dateren alle van vóór de uitspraak van 4 september 2014. De Raad acht aannemelijk dat de stukken waarop verzoeker zich beroept, alle daterend van decennia geleden, destijds bij hem bekend waren. Ten dele geeft verzoeker dat ook zelf aan. Zouden er toch stukken bij hem niet bekend zijn geweest, dan hadden deze redelijkerwijs wel aan hem bekend kunnen zijn. Dat betekent dat niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Awb.
3.3.
Nu niet is voldaan aan de in artikel 8:119 van Pro de Awb gegeven maatstaven voor herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak, moet het verzoek om herziening worden afgewezen. Gelet op artikel 8:119, vierde lid, van de Awb kan daarom geen teruggave van griffierecht plaatsvinden. Aan het verzoek van verzoeker om de staatssecretaris te verplichten tot terugbetaling van griffierechten in de gevoerde rechtbankprocedures kan niet worden toegekomen.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2017.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) P.W.J. Hospel

HD