ECLI:NL:CRVB:2015:5006
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen werkgever
Een werknemer viel wegens enkelklachten uit en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV legde een loonsanctie van 52 weken op aan de werkgever omdat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren, met name omdat het tweede spoor niet was ingezet. De werkgever maakte bezwaar en stelde dat het UWV onduidelijkheid had gecreëerd over de advisering door de Bezwaar Landelijke Loonsanctie Commissie (BLLC) en dat de beleidsregels onredelijke eisen stelden.
De rechtbank verklaarde het beroep van de werkgever ongegrond en oordeelde dat geen strijdigheid met de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was vastgesteld. In hoger beroep handhaafde de werkgever haar standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad bevestigde dat het UWV terecht de loonsanctie handhaafde, dat de rol van de BLLC niet leidde tot strijdigheid met de Awb, en dat de beleidsregels passend zijn binnen het wettelijke kader.
De Raad benadrukte dat het gaat om een inspanningsverplichting en niet om een resultaatsverplichting. De opgelegde loonsanctie werd niet als buitenproportioneel beoordeeld. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De loonsanctie van 52 weken wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd en het hoger beroep van de werkgever wordt afgewezen.