Appellante, werkgever van een werknemer die sinds december 2007 arbeidsongeschikt was, kreeg van het UWV een loonsanctie opgelegd omdat zij volgens het UWV onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht. De werknemer had in augustus 2009 een lagere bloeddruk gemeten, waarna het UWV meende dat er re-integratiekansen waren gemist.
De rechtbank vernietigde het besluit wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellante ging in hoger beroep tegen deze beslissing. De Raad oordeelde dat het UWV niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bedrijfsarts onjuist heeft gehandeld door te adviseren terughoudend te zijn met re-integratie vanwege de medische situatie van de werknemer.
De Raad concludeert dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand kunnen blijven en herroept het besluit van 24 november 2009 dat de loonsanctie verlengde. Tevens wordt het onderzoek heropend om de schadevergoeding die appellante claimt nader te specificeren. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante.