ECLI:NL:CRVB:2015:4593
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken verzekeringsplichtige arbeid
Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd na een periode van ziekte en het ontvangen van een Ziektewetuitkering. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft deze aanvraag afgewezen omdat appellant geen verzekeringsplichtige arbeid heeft verricht en geen werknemer was in de zin van de sociale zekerheidswetten.
De rechtbank Rotterdam heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard op basis van een frauderapport waarin werd vastgesteld dat appellant niet als industrieel reiniger heeft gewerkt zoals in de arbeidsovereenkomst stond vermeld. Uit verklaringen en administratieve gegevens bleek dat de werkzaamheden die appellant verrichtte niet overeenkwamen met een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Ook waren er onregelmatigheden in de personeelsadministratie en salarisbetalingen.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd wel gewerkt te hebben en loon te hebben ontvangen, maar zonder overtuigende bewijsvoering. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en het frauderapport en bevestigt dat appellant niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering omdat geen sprake was van verzekeringsplichtige arbeid.
De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 2 december 2015, waarbij het hoger beroep is verworpen en de eerdere uitspraak is bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd omdat appellant geen werknemer was en geen verzekeringsplichtige arbeid heeft verricht.