Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2015:3940

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 november 2015
Publicatiedatum
10 november 2015
Zaaknummer
14/2319 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 7 WIJArt. 16 WWBArt. 32, eerste lid, WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek herziening inkomensvoorziening en bijstand wegens geen nieuw gebleken feiten

Appellant ontving vanaf januari 2011 een ziektewetuitkering, toeslag en later bijstand. Het UWV herzag de ziektewetuitkering en toeslag en vorderde ruim €14.000,- terug omdat appellant per 12 januari 2011 hersteld was verklaard. Appellant verzocht het college om nabetaling van inkomensvoorziening en bijstand over dezelfde periode, maar dit werd afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep. Hij stelde dat de terugvordering door het UWV een nieuw feit was dat herziening rechtvaardigt, omdat hij achteraf niet over voldoende middelen beschikte en een schuld heeft. Subsidiair beriep hij zich op artikel 16 WWB Pro wegens zeer dringende redenen.

De Raad oordeelde dat de ziektewetuitkering en toeslag terecht als inkomen zijn aangemerkt en dat het feit dat appellant deze later moet terugbetalen niet betekent dat hij destijds niet over middelen beschikte. De schuld verandert niets aan de beoordeling van het inkomen in die periode. Ook het beroep op dringende redenen faalde omdat appellant toen al bijstand ontving.

De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien tot veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de inkomensvoorziening en bijstand wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuw gebleken feiten of dringende redenen.

Uitspraak

14/2319 WWB
Datum uitspraak: 10 november 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
18 maart 2014, 13/6462 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B. de Wijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. B. Klomp-de Wijk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. de Roder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving vanaf 13 januari 2011 een uitkering op grond van de Ziektewet en een toeslag op grond van de Toeslagenwet. In aanvulling hierop ontving appellant vanaf
13 januari 2011 tot en met 4 oktober 2011 een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ) en vanaf 5 oktober 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft de ziektewetuitkering en de toeslag van appellant over de periode van 13 januari 2011 tot en met 16 september 2012 herzien en een bedrag van ruim € 14.000,- bruto teruggevorderd. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat is gebleken dat appellant per 12 januari 2011 hersteld is verklaard. Appellant had daardoor geen recht op de ziektewetuitkering en de toeslag die aan hem zijn betaald.
1.2.
Op 12 februari 2013 heeft appellant aan het college mondeling verzocht om een nabetaling van de inkomensvoorziening, respectievelijk bijstand, over de periode van
13 januari 2011 tot en met 16 september 2012.
1.3.
Bij besluit van 3 april 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 september 2013 (bestreden besluit), heeft het college het verzoek om een nabetaling afgewezen. Het college heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ingevolge dit artikel mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt om van een eerder genomen besluit terug te komen worden verlangd dat hij bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vermeldt die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van nieuw gebleken feiten en/of omstandigheden die aanleiding zouden moeten geven tot een herziening van de uitkeringen van appellant. Appellant heeft over de periode van 13 januari 2011 tot en met 16 september 2012 kunnen beschikken over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Het feit dat die middelen achteraf door het Uwv van hem worden teruggevorderd, maakt niet dat deze een ander karakter krijgen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft daarbij aangevoerd dat het besluit van het Uwv tot terugvordering van de sinds 13 januari 2011 uitbetaalde ziektewetuitkering en toeslag wel een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is, die herziening van de hoogte van de vastgestelde inkomensvoorziening, respectievelijk bijstand rechtvaardigt. Immers, deze terugvordering maakt dat appellant achteraf gezien over deze periode niet over voldoende middelen beschikte om in zijn levensonderhoud te voorzien. Het geld van het Uwv stond achteraf beschouwd niet tot zijn beschikking en appellant is met een flinke schuld achtergebleven. Subsidiair doet appellant een beroep op artikel 16 van Pro de WWB omdat hij meent dat op grond van zeer dringende redenen alsnog aanvullende bijstand zou moeten worden toegekend. Hij heeft erop gewezen dat het Uwv een fout heeft gemaakt door de ziektewetuitkering en toeslag te blijven doorbetalen, terwijl appellant hersteld was verklaard. Appellant was hier zelf niet van op de hoogte, omdat hij het bericht over de hersteldverklaring nooit heeft ontvangen. Door de schuld die hij nu aan het Uwv heeft zal hij de komende jaren aan het afbetalen zijn en zal hij onder het bijstandsniveau komen te leven. Het is naar zijn mening niet redelijk dat de omissie van het Uwv op deze wijze voor zijn rekening komt.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het gaat hier om de vraag of het college de inkomensvoorziening en bijstand over de periode van 13 januari 2011 tot en met 16 september 2012 (periode in geding) moet herzien naar een hoger bedrag. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het college de in de periode in geding ontvangen ziektewetuitkering en toeslag conform artikel 7 van Pro de WIJ en artikel 32, eerste lid, van de WWB terecht als inkomen heeft aangemerkt en op de voor appellant van toepassing zijnde norm in mindering heeft gebracht. De omstandigheid dat appellant de ziektewetuitkering en toeslag, naar achteraf blijkt, ten onrechte heeft ontvangen en moet terugbetalen leidt niet tot het oordeel dat de ziektewetuitkering en toeslag achteraf bezien niet meer als inkomen moeten worden aangemerkt. De uitkeringen van het Uwv konden destijds immers ingezet worden voor de kosten van levensonderhoud, wat appellant ook heeft gedaan. De bijstand behoeft daarop slechts aan te vullen. Dat appellant nu geconfronteerd wordt met een schuld doet aan het voorgaande niet af. Hierbij wordt verwezen naar de in het bestreden besluit genoemde uitspraak van de Raad van 7 mei 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE3704. Volgens appellant betreft die uitspraak niet een vergelijkbare situatie, omdat in de zaak die tot die uitspraak leidde het recht op bijstand nog niet was ontstaan tijdens het tijdvak van terugvordering door het Uwv. Deze beroepsgrond treft geen doel. Niet valt in te zien waarom het verschil zou uitmaken of de betrokkene tijdens het tijdvak waarover wordt teruggevorderd al bijstand ontving. Ook in de hiervoor bedoelde zaak ging het, zo blijkt ook uit de voorlaatste overweging in die uitspraak, om de vraag of appellant in het betrokken tijdvak over voldoende middelen van bestaan heeft beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Overigens heeft de Raad ook in andere vergelijkbare zaken, die betrekking hadden op ten onrechte uitgekeerde studiefinanciering, dan wel huurtoeslag, geoordeeld dat het feit dat de betrokkenen de studiefinanciering dan wel huurtoeslag moesten terugbetalen er niet aan afdoet dat zij feitelijk in de periode dat zij deze gelden hebben ontvangen over middelen hebben beschikt om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien (uitspraken van 28 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG1808, van 29 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN0595 en van 26 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2571). Van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb is derhalve geen sprake.
4.2.
Appellant kan geen beroep doen op een dringende reden als bedoeld in artikel 16 van Pro de WWB. Het college heeft terecht in zijn verweerschrift opgemerkt dat dit artikel alleen ziet op situaties waarin geen recht bestaat op bijstand en waarin desondanks bijstand zou moeten worden verstrekt. Die situatie doet zich hier niet voor, omdat appellant in de periode in geding bijstand ontving.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2015.
(getekend) Y.J. Klik
(getekend) A. Stuut

HD