ECLI:NL:CRVB:2013:2571
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens studiefinanciering als voorliggende voorziening
Appellante ontving van oktober 2009 tot april 2011 bijstand op grond van de WWB. Uit een bestandsvergelijking tussen de gemeente Rotterdam en DUO bleek dat zij over de periode november 2009 tot oktober 2010 studiefinanciering had ontvangen. Het college stelde daarom de bijstand over die periode terug en vorderde €17.394,54 terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond, maar de Raad vernietigde deze uitspraak omdat de rechtbank haar oordeel baseerde op een andere grond dan het bestreden besluit. De Raad beoordeelde vervolgens zelf of studiefinanciering als voorliggende voorziening kan worden aangemerkt.
De Raad bevestigde dat studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 een toereikende en passende voorliggende voorziening is, zodat appellante geen recht had op bijstand over de betreffende periode. Ook al moest zij de studiefinanciering later terugbetalen, dit deed niet af aan het feit dat zij destijds over middelen beschikte. Omdat appellante de ontvangst van studiefinanciering niet aan het college had gemeld, was intrekking en terugvordering terecht.
Appellante voerde geen zelfstandige beroepsgronden tegen de wijze van intrekking en terugvordering aan. De Raad verklaarde het beroep ongegrond, veroordeelde het college in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan appellante wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de intrekking en terugvordering van bijstand wordt ongegrond verklaard.