ECLI:NL:CRVB:2015:3657
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang op grond van Wmo wegens ontbreken dakloosheid
Appellant, van Tibetaanse afkomst en in 2009 in Nederland aangekomen, vroeg in juli 2012 maatschappelijke opvang aan bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Deze aanvraag werd in september 2012 afgewezen en het bezwaar daarop in februari 2013 ongegrond verklaard omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor maatschappelijke opvang volgens de Wmo.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank artikel 8 EVRM Pro te beperkt had geïnterpreteerd. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat op grond van de Wmo en de Vreemdelingenwet 2000 appellant geen aanspraak kon maken op maatschappelijke opvang en dat de positieve verplichting op grond van artikel 8 EVRM Pro in deze situatie niet gold.
De Raad stelde vast dat gedurende de relevante periode van 13 juli 2012 tot en met 19 februari 2013 geen sprake was van feitelijke dakloosheid of concrete dreiging daarvan bij appellant. Daarom kon het college terecht de aanvraag afwijzen en leefgeld onthouden. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek tot schadevergoeding werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: De aanvraag maatschappelijke opvang werd afgewezen wegens het ontbreken van feitelijke dakloosheid of concrete dreiging daarvan.