ECLI:NL:CRVB:2015:3655
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang wegens ontbreken dakloosheid
Appellante, van Tibetaanse afkomst en zonder rechtmatig verblijf in Nederland, diende een aanvraag in voor maatschappelijke opvang bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Deze aanvraag werd op 25 september 2012 afgewezen en het bezwaar daarop ongegrond verklaard op 19 februari 2013, omdat appellante niet voldeed aan de voorwaarden voor maatschappelijke opvang.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beslissing ongegrond, stellende dat zij feitelijk onderdak had bij vrienden en kennissen. In hoger beroep voerde appellante aan afhankelijk te zijn van de willekeur van particulieren en dat zij zich in een noodsituatie bevond, waardoor zij toegang tot maatschappelijke opvang zou moeten krijgen.
De Raad oordeelde dat appellante geen aanspraak kon maken op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo en Vreemdelingenwet 2000 en dat gedurende de relevante periode van 10 september 2012 tot 19 februari 2013 geen sprake was van feitelijke dakloosheid of concrete dreiging daarvan. Appellante verbleef bij vrienden binnen de Tibetaanse gemeenschap, waardoor het college terecht de aanvraag afwees en geen leefgeld hoefde te verstrekken.
Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen en werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag maatschappelijke opvang wordt afgewezen wegens het ontbreken van feitelijke dakloosheid of concrete dreiging daarvan.