Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om vergoeding tot schadevergoeding af.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, van Tibetaanse afkomst, is in 2011 Nederland binnengekomen en heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning gedaan die is afgewezen. Zij is uitgeprocedeerd en heeft geen rechtmatig verblijf. Op 24 augustus 2012 vroeg zij maatschappelijke opvang aan bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, maar deze aanvraag werd op 25 september 2012 afgewezen. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd op 19 februari 2013 ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond, omdat zij feitelijk onderdak had bij vrienden en kennissen. Appellante stelde in hoger beroep dat zij ondanks het verblijf bij anderen dringend behoefte had aan hulp en toegang tot maatschappelijke opvang verdiende.
De Raad overwoog dat appellante op grond van de Wmo en de Vreemdelingenwet 2000 geen aanspraak kan maken op maatschappelijke opvang. De Raad stelde vast dat in de relevante periode van 24 augustus 2012 tot en met 19 februari 2013 geen sprake was van feitelijke dakloosheid of dreiging daarvan, omdat appellante bij verschillende mensen verbleef binnen de Tibetaanse gemeenschap. Het college kon daarom terecht de aanvraag afwijzen en hoefde geen leefgeld te verstrekken.
De Raad concludeerde dat geen positieve verplichting bestond op grond van artikel 8 EVRM Pro om opvang te bieden. Het hoger beroep slaagde niet en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er werd geen schadevergoeding toegekend en geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag maatschappelijke opvang wordt bevestigd omdat appellante niet feitelijk dakloos was.