ECLI:NL:CRVB:2015:3554
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens directeur-grootaandeelhouderschap en gezamenlijke huishouding
Appellant was algemeen directeur en hield 49% van de aandelen in een vennootschap, terwijl een andere aandeelhouder 2% bezat en met appellant een gezamenlijke huishouding voerde. Het UWV weigerde de WW-uitkering omdat appellant als directeur-grootaandeelhouder niet als werknemer wordt beschouwd volgens de WW en de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder.
De rechtbank oordeelde dat appellant en de mede-aandeelhouder een gezamenlijke huishouding hadden, waarbij sprake was van financiële verstrengeling en wederzijdse zorg, en verklaarde het beroep ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat er slechts een zakelijke huurder-verhuurderrelatie bestond en betwistte verklaringen over gezamenlijke zorg, mede vanwege gehoorproblemen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat appellant en de mede-aandeelhouder hun hoofdverblijf deelden en zorg voor elkaar droegen, onder meer door gezamenlijke boodschappen en financiële bijdragen. De stelling van appellant dat sprake was van een zakelijke relatie werd niet gevolgd, mede omdat geen vergoeding voor aandelen was betaald.
Hierdoor kwalificeert appellant als directeur-grootaandeelhouder en geldt zijn arbeidsverhouding niet als dienstbetrekking, waardoor hij niet verzekerd is voor de WW. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Appellant wordt terecht niet als werknemer beschouwd en krijgt geen WW-uitkering toegekend.