ECLI:NL:CRVB:2015:1437
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gezamenlijke huishouding en intrekking bijstand wegens niet-melding medebewoner
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder sinds oktober 2009. Na ontdekking dat een medebewoner (J) op haar adres stond ingeschreven, startte de gemeente Groningen een onderzoek naar hun woonsituatie. Dit onderzoek, inclusief verhoren en getuigenverklaringen, leidde tot het besluit de bijstand over de periode 25 september 2010 tot en met 6 maart 2012 in te trekken en de kosten van € 13.966,43 terug te vorderen.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij en J geen gezamenlijke huishouding voerden, omdat J een kamer huurde en klussen deed in plaats van huur te betalen, en dat er geen wederzijdse zorg of financiële verstrengeling was. De Raad oordeelde echter dat ondanks de kamerhuurovereenkomst, die geen huurprijs vermeldde en niet werd nageleefd, sprake was van wederzijdse zorg. Appellante bood onderdak zonder huurbetaling, gebruikte de auto en internet van J, en J deed klussen en gaf cadeaus zoals een bankstel.
De Raad concludeerde dat de situatie de grenzen van een zakelijke huurrelatie overschreed en dat er een gezamenlijke huishouding bestond. Hierdoor was het besluit tot intrekking van bijstand en terugvordering terecht. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek tot schadevergoeding werd geweigerd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot intrekking van bijstand en terugvordering wordt bevestigd.