Appellante ontving bijstand en beheerde de woning van haar dochter, waar een hennepkwekerij werd aangetroffen. Het college stelde vast dat appellante de hennepkwekerij niet had gemeld, wat een schending van de inlichtingenplicht opleverde. Hierdoor kon het college niet vaststellen of recht op bijstand bestond en trok de bijstand over diverse perioden in en vorderde deze terug.
Appellante voerde aan niet op de hoogte te zijn geweest van de kwekerij en stelde dat de bedragen die zij ontving van haar kinderen leningen waren en dat opnamen van haar creditcard geen middelen vormden. De Raad oordeelde dat de wijze van woningbeheer voldoende aanwijzingen gaf voor op geld waardeerbare activiteiten en dat de betalingen en opnamen als middelen in de zin van de WWB moesten worden aangemerkt.
Het college was bevoegd de bijstand te herzien en terug te vorderen. De boete werd door het college verlaagd en de Raad vernietigde het besluit over de boete omdat het college deze niet handhaafde. De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van de kosten van appellante en het betaalde griffierecht.
De uitspraak bevestigt het belang van de inlichtingenplicht bij bijstandsverlening en verduidelijkt de reikwijdte van middelenbegrip bij leningen en betalingen van familieleden.