ECLI:NL:CRVB:2014:3780
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- M. Hillen
- G.M.G. Hink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1997 bijstand op grond van de WWB. Naar aanleiding van een laag waterverbruik op haar uitkeringsadres startte het college een onderzoek naar haar woon- en leefsituatie. De sociale recherche stelde vast dat appellante samenwoonde met appellant op diens adres, wat niet was gemeld.
Het college trok de bijstand van appellante over de periode 2005-2011 in en vorderde de kosten terug, ook van appellant. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante en appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad dit oordeel.
De Raad oordeelt dat het lage waterverbruik aanleiding gaf tot onderzoek en dat de verklaringen van appellanten, ondanks dat zij zonder advocaat werden gehoord, toelaatbaar bewijs vormen. Uit verklaringen, waarnemingen en het waterverbruik blijkt dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden, waarbij zij zorg voor elkaar droegen. Het feit dat zij formeel niet samenwoonden doet hier niet aan af. De strafrechtelijke vrijspraak van appellanten staat hieraan niet in de weg. Het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding worden bevestigd en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.