ECLI:NL:CRVB:2014:3727
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Betrokkene ontving bijstand sinds augustus 2010 en gaf aan alleenwonend te zijn bij zijn nicht S, waarvoor hij huur betaalde. Na een anonieme melding onderzocht de gemeente Amsterdam zijn woonsituatie en concludeerde dat betrokkene en S een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden, waarna de bijstand werd ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank oordeelde echter dat onvoldoende bewijs bestond voor wederzijdse zorg en financiële verstrengeling, en vernietigde de besluiten. De gemeente ging in hoger beroep en stelde dat de onderzoeksbevindingen wel degelijk een gezamenlijke huishouding aantonen, met onder meer gezamenlijk gebruik van bankpassen, zorg voor kinderen, gezamenlijke huishoudelijke taken en het gebruik van elkaars boodschappen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dat betrokkene en S vanaf 14 mei 2012 een gezamenlijke huishouding voerden en dat betrokkene de inlichtingenplicht heeft geschonden. Daarom was de intrekking van de bijstand terecht. Het eerdere vonnis werd vernietigd en het beroep tegen het intrekkingsbesluit ongegrond verklaard.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenplicht wordt bevestigd.