ECLI:NL:CRVB:2014:3370
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onvoorwaardelijk ontslag ambtenaar wegens plichtsverzuim en verboden wapenbezit
Appellant was sinds 1978 werkzaam bij het ministerie van Buitenlandse Zaken en werd in 2012 aangehouden op verdenking van het lekken van vertrouwelijke informatie en verboden wapenbezit. Na een intern onderzoek en overleg met de AIVD en het Openbaar Ministerie legde de minister hem onvoorwaardelijk ontslag op wegens plichtsverzuim.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het ontslagbesluit ongegrond en veroordeelde appellant in een strafzaak tot twaalf jaar gevangenisstraf wegens schending van staatsgeheimen, ambtelijke corruptie, witwassen en verboden wapenbezit. Het gerechtshof stelde later vast dat de gelekte informatie niet als staatsgeheim kwalificeerde, maar wel vertrouwelijk was, en veroordeelde hem tot acht jaar gevangenisstraf.
In hoger beroep stelde appellant dat het ontslagbesluit niet op deugdelijk vastgestelde feiten was gebaseerd en dat de rechtbank haar oordeel onvoldoende had gemotiveerd. De Raad oordeelde dat de bestuursrechter bij de beoordeling van plichtsverzuim ook strafrechtelijke uitspraken mag betrekken en dat het bestuursorgaan zelfstandig feiten moet onderzoeken, maar gebruik mag maken van strafrechtelijke gegevens.
De Raad verwierp de bezwaren van appellant en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het verboden wapenbezit alleen werd niet als grond voor ontslag gezien, maar in samenhang met de overige feiten rechtvaardigde het ontslagbesluit. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het onvoorwaardelijk ontslag van appellant wegens plichtsverzuim en verboden wapenbezit.