ECLI:NL:CRVB:2014:2657
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvraag begeleiding AWBZ versus Wmo bij sociale en verstandelijke beperkingen
Appellant, met diverse somatische, verstandelijke en psychische beperkingen, verzocht om indicatie voor AWBZ-begeleiding in een multiculturele setting. Het CIZ wees dit af omdat de zorg onder de Wmo valt en GGZ-behandeling voorliggend is. Appellant voerde aan dat hij vanwege zijn laag IQ en sociale fobie niet zelfstandig GGZ-behandeling kan volgen en dat de Wmo-voorzieningen niet aansluiten op zijn zorgbehoefte.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het CIZ-onderzoek zorgvuldig was en GGZ-behandeling voorliggend is. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat AWBZ-zorg alleen kan worden geïndiceerd voordat Zvw-behandeling is aangevangen in uitzonderlijke situaties, die hier niet van toepassing zijn. Tevens wijst de Raad erop dat sinds 2009 de participatiedoelstelling is geschrapt uit het Besluit zorgaanspraken AWBZ, waardoor opvang gericht op maatschappelijke integratie niet tot AWBZ-begeleiding leidt.
De Raad concludeert dat appellant niet in aanmerking komt voor AWBZ-begeleiding zolang de GGZ-behandeling niet is gestart en dat de multiculturele opvang onder de Wmo valt. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd waarbij de aanvraag voor AWBZ-begeleiding wordt afgewezen.