ECLI:NL:CRVB:2014:2556
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buiten behandeling laten aanvraag bijstand en opleggen maatregel wegens te snel interen op vermogen
Appellant had aanspraak op een nalatenschap en vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college stelde de aanvraag van 9 januari 2012 buiten behandeling omdat appellant niet binnen de hersteltermijn de gevraagde bankgegevens had aangeleverd. Vervolgens werd bijstand toegekend met een verlaging van 20% wegens te snel interen op het vermogen.
Appellant voerde aan dat de hersteltermijn niet als fataal moest worden beschouwd en dat hij verantwoord had ingeteerd op zijn erfenis. De Raad oordeelde dat de hersteltermijn duidelijk was en dat appellant geen verzoek tot uitleg of verlenging had gedaan. Het college was bevoegd het besluit tot buiten behandeling stellen te nemen.
Ten aanzien van de maatregel stelde appellant dat de interingsperiode vanaf 2002 moest worden gerekend, maar de Raad volgde dit niet omdat appellant pas later over de erfenis beschikte. De berekening van het college toonde aan dat appellant te snel had ingeteerd, wat een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan betekent.
De Raad concludeerde dat het college terecht de aanvraag buiten behandeling had gelaten en de maatregel had opgelegd conform de verordening. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand werd terecht buiten behandeling gelaten en de maatregel wegens te snel interen op het vermogen werd bevestigd.