ECLI:NL:CRVB:2014:2550
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Terugvordering bijstand na boedelscheiding ondanks participatieplaats
Appellant ontving vanaf 20 juli 2010 bijstand op grond van de WWB, met de voorwaarde dat bij voldoende middelen uit de boedelscheiding de bijstand zou worden teruggevorderd. In juni 2011 vervulde appellant een participatieplaats bij een bedrijf, waarbij hem was voorgehouden dat hij zou werken met behoud van uitkering. Vanaf 1 juli 2011 trad hij in dienst bij dat bedrijf, waarna de bijstand werd ingetrokken.
Na de boedelscheiding ontving appellant in januari 2012 een bedrag van €34.000,-. Het college vorderde daarop de bijstandskosten terug over de periode 20 juli 2010 tot en met 30 juni 2011, inclusief juni 2011. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze terugvordering ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de bijstand over juni 2011 als arbeidsbeloning moest worden beschouwd omdat hij toen werkte met behoud van uitkering. De Raad oordeelde dat de participatieplaats een arbeidsinschakelingsvoorziening betrof en dat de bijstand geen arbeidsbeloning is, maar een publiekrechtelijke voorziening. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan dat de bijstand niet zou worden teruggevorderd.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand over juni 2011 ondanks de participatieplaats met behoud van uitkering.