Uitspraak
OVERWEGINGEN
rug- en knieklachten.
11 juni 2012 in hoger beroep wel bij het geding te betrekken, aangezien appellant daarop heeft kunnen reageren en dit door middel van de reactie van verzekeringsarts Van der Boog van 15 augustus 2012 ook heeft gedaan.
Van der Boog van 15 augustus 2012 opgemerkt dat computerwerk en muisgebruik voor appellant mogelijk zijn en dat dit ook de mening is van de behandelend orthopeed Konings, zoals blijkt uit diens informatie. De problematiek van de rechterschouder is niet door het Uwv miskend, zoals door Van der Boog is gesteld. Het standpunt van het Uwv is gebaseerd op eigen onderzoek, de medische voorgeschiedenis en de informatie van de behandelend fysiotherapeut en orthopeed. De arm en de elleboogfuncties zijn goed onderzocht. De situatie zoals Konings die in zijn brieven heeft beschreven is die van vijf maanden na het plaatsen van de schouderprothese rechts in september 2012. Met betrekking tot het expertiserapport van orthopedisch chirurg Schüller heeft de bezwaarverzekeringsarts er allereerst op gewezen dat in de vraagstelling aan Schüller de datum in geding, juni 2011, niet is vermeld. De conclusies van de verzekeringsarts ten aanzien van het boven schouderhoogte actief zijn, waren gebaseerd op eerdere onderzoekingen en de bevindingen beiderzijds van de schouders op dat moment. Op grond van die bevindingen was heffen van de bovenarm tot 90 graden mogelijk en was het incidenteel mogelijk om zaken boven schouderniveau te pakken. Omdat elevatie van de arm tot 90 graden mogelijk was (bij alle andere onderzoekers), was reiken mogelijk zoals omschreven in de FML. Frequent reiken is sterk beperkt. Het is niet juist om te zeggen dat bij functieselectie frequent reiken geheel niet mogelijk was, zoals Schüller suggereert. Zeker met de schouderprothese links was herhaald reiken mogelijk ten tijde in geding, zie daarvoor ook de visie van Konings. Ook handelingen bezijden het lichaam konden door appellant uitgevoerd worden zonder exorotatie in de schouder. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat sinds de datum in geding de medische situatie met betrekking tot de rug en door het plaatsen van de schouderprothese rechts is veranderd, maar dat de ingebrachte medische informatie geen aanleiding geeft om het standpunt ten aanzien van de beperkingen op de datum in geding te wijzigen.
leerlingwezen-diploma’s op secundair niveau heeft behaald en dat zijn opleiding gelijk is te stellen met een MBO-diploma niveau 3. Appellant heeft verder diverse gerichte opleidingen, cursussen en trainingen gevolgd, waardoor hij zich op zijn vakgebied heeft gespecialiseerd en doorontwikkeld. Dit blijkt ook uit het soort werk dat hij deed. Daarom heeft de bezwaararbeidsdeskundige appellant geschikt geacht tot het verrichten van werkzaamheden op MBO-4 niveau. Met verwijzing naar zijn uitspraak van 1 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY5678, volgt de Raad de visie van de arbeidsdeskundige. Met betrekking tot het functieniveau wijst de Raad erop dat dat dit alleen nog ten behoeve van de arbeidsongeschiktheidscriteria vóór 1993 wordt vermeld (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2013:2889). Dat is in het onderhavige geval niet aan de orde.
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 november 2011 ongegrond;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 115,- vergoedt.