ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9172
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak intrekking en terugvordering bijstand wegens onvoldoende gegevens over onroerend goed
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB, maar het college vermoedde dat zij onroerend goed in Turkije bezaten. Een onderzoek door het Internationaal Bureau Fraude Informatie, ondersteund door de ambassade, toonde aan dat meerdere percelen en woningen op naam van appellant stonden, waarvan enkele waren verkocht aan familieleden. Het college blokkeerde daarop de bijstand en besloot deze in te trekken en terug te vorderen.
Appellanten maakten bezwaar en leverden verklaringen van kopers en familieleden, die stelden dat de onroerende zaken niet tot hun vermogen behoorden en dat er sprake was van papieren constructies. De rechtbank oordeelde echter dat deze verklaringen onvoldoende objectief en verifieerbaar bewijs vormden en dat appellanten hun wettelijke inlichtingenplicht hadden geschonden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en benadrukt dat appellanten geen overtuigend bewijs hebben geleverd waaruit blijkt dat zij niet over het vermogen konden beschikken. Hierdoor kan het recht op bijstand over de periode van 1 januari 2003 tot 12 augustus 2008 niet worden vastgesteld. Ook na 12 augustus 2008 ontbreken gegevens over de opbrengst en besteding van de verkoop, waardoor intrekking en terugvordering gerechtvaardigd blijven.
Verder oordeelt de Raad dat het bevoegdheidsgebrek van het college is hersteld door mandaatverlening aan de Sociale verzekeringsbank, waardoor de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand blijven gehandhaafd.