ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7378
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vermogensvaststelling bij nieuwe bijstandsaanvraag na eerdere periode
Appellant ontving van januari 2002 tot januari 2008 bijstand en vroeg in mei 2009 opnieuw bijstand aan. Bij de aanvraag gaf hij onvolledige informatie over zijn vermogen, waaronder een spaarrekening en opnames daarvan.
Het dagelijks bestuur stelde het vermogen vast op basis van bankafschriften, taxatierapporten en levensverzekering, en concludeerde dat appellant vermogen boven de toegestane grens had. De bijstand werd ingetrokken en teruggevorderd wegens het niet melden van relevante vermogensbestanddelen.
Appellant voerde aan dat spaargelden opgebouwd tijdens eerdere bijstandsperiodes buiten beschouwing moesten blijven en dat hij niet wist dat het om een nieuwe aanvraag ging. De Raad oordeelde dat artikel 34 lid 2 sub c WWB Pro alleen spaargelden tijdens lopende bijstandsperiodes uitsluit, niet die uit eerdere periodes.
Verder werd vastgesteld dat appellant zijn inlichtingenplicht schond door het niet melden van de spaarrekening en opnames, ondanks expliciete vragen op het aanvraagformulier. De Raad verwierp het beroep en bevestigde de intrekking en terugvordering van bijstand.
Er werden geen dringende redenen gevonden om van terugvordering af te zien. De uitspraak van de rechtbank Maastricht werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand zijn rechtmatig en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.