ECLI:NL:CRVB:2013:952
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens zelfstandige onderneming en schending inlichtingenplicht
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB, maar het college ontdekte via een koppeling met de Kamer van Koophandel dat appellante een zelfstandige onderneming dreef. Na onderzoek trok het college de bijstand in vanaf 1 mei 2010 en vorderde het de bijstand terug over de periode van 27 maart 2008 tot 30 april 2010 wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond, maar in hoger beroep stelde appellanten dat niet aan het urencriterium was voldaan vanaf 1 januari 2009 en dat zij hun onderneming wel hadden gemeld. De Raad oordeelde dat appellante van 27 maart 2008 tot 31 december 2008 zelfstandige was en de inlichtingenplicht had geschonden, maar dat onvoldoende bewijs bestond dat zij vanaf 1 januari 2009 aan het urencriterium voldeed.
Daarom vernietigde de Raad de beslissingen over de periode vanaf 1 januari 2009 en droeg het college op een nieuwe beslissing te nemen. De terugvordering over de periode tot eind 2008 blijft gehandhaafd. De Raad wees het beroep op de zesmaandenjurisprudentie af en bevestigde dat het college rechtmatig handelde binnen het eigen terugvorderingsbeleid.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd voor 27 maart 2008 tot 31 december 2008, maar vernietigd voor de periode vanaf 1 januari 2009 wegens onvoldoende bewijs urencriterium.