ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7819
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van fiscale keuze bij beoordeling huurinkomsten als inkomen uit arbeid in WAZ-uitkering
Appellant ontving sinds 28 november 2002 een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAZ met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 45%. Het Uwv stelde de uitkering vanaf 2005 op nihil vanwege huurinkomsten die appellant ontving uit panden waarin zijn fysiotherapiepraktijk was gevestigd. Deze huurinkomsten werden door appellant fiscaal verantwoord als winst uit onderneming.
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het Uwv, maar dit werd afgewezen. De rechtbank bevestigde dat de fiscale keuze van appellant om de huurinkomsten als inkomen uit arbeid te verantwoorden leidend is, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. De Raad overwoog dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een uitzondering rechtvaardigen.
De Raad benadrukte dat de fiscale keuze die door de fiscus is gehonoreerd in beginsel doorslaggevend is bij de beoordeling van inkomsten uit arbeid in het kader van artikel 58 van Pro de WAZ. De gewijzigde situatie vanaf 2004, waarbij appellant met een nieuwe maatschap werkte en huur in rekening bracht, ondersteunt deze keuze. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt daarom bevestigd.
Er is geen aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2011 door de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de fiscale keuze van appellant leidend is en wijst het beroep af.