ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3939

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4226 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van besluit UWV over uitsluiting structurele overuren bij vaststelling dagloon WW-uitkering

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV waarbij zijn WW-uitkering werd vastgesteld zonder rekening te houden met zijn structureel gemaakte overuren als internationaal vrachtwagenchauffeur. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de arbeidsovereenkomst uitging van een functieloon gebaseerd op 160 diensturen per vier weken, conform de toepasselijke CAO.

De rechtbank verwees naar vaste rechtspraak waarin is bepaald dat de CAO ruimte biedt voor onregelmatige werktijden en dat een gemiddelde arbeidstijd van veertig uur per week het uitgangspunt is. Hierdoor is er voldoende ruimte om na een lange reis minder snel opnieuw ingepland te worden, zodat de normatieve arbeidstijd niet te zeer wordt overschreden.

In hoger beroep herhaalde appellant dat hij structureel overwerk heeft verricht en dat dit ten onrechte niet is meegenomen. De Raad overwoog dat de rechtbank het beroep terecht en deugdelijk gemotiveerd heeft afgewezen. Tevens benadrukte de Raad dat het aan de werknemer is om bewijs te leveren indien hij stelt meer loon te hebben ontvangen dan in de administratie is vermeld, hetgeen appellant niet heeft gedaan.

De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de structurele overuren buiten beschouwing heeft gelaten bij de vaststelling van het dagloon voor de WW-uitkering.

Uitspraak

10/4226 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 16 juni 2010, 09/2085 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 mei 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L.G.M. van der Meer hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2011. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Steenwijk.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het Uwv van 25 juni 2009, waarbij aan hem met ingang van 29 mei 2009 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) is toegekend. Appellant heeft tegen dit besluit aangevoerd dat bij de vaststelling van de hoogte van het dagloon en van het gemiddeld aantal arbeidsuren ten onrechte geen rekening is gehouden met de door hem structureel gemaakte overuren in zijn voormalige functie van internationaal vrachtwagenchauffeur.
1.2. Bij besluit van 21 oktober 2009 heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 21 oktober 2009 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsovereenkomst van appellant uitgaat van een functieloon van 160 diensturen per vier weken. Tevens heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 29 augustus 2007 (LJN BB2803), overwogen dat vaste rechtspraak inhoudt dat uit het samenstel van bepalingen van de (toepasselijke) CAO voor het Beroepsvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen volgt dat de CAO-partijen de ruimte hebben willen scheppen dat er in de sector op onregelmatige tijden, gedurende weekends en per week in wisselende omvang kan worden gewerkt, waarbij een arbeidstijd van gemiddeld veertig uur per week het uitgangspunt is. Omdat de arbeidstijd is gedefinieerd over een periode van vier weken, bestaat er in beginsel voldoende ruimte om een werknemer na terugkeer van een lange reis minder snel opnieuw in te plannen om aldus de normatieve arbeidstijd niet te zeer te overschrijden. De rechtbank had geen aanknopingspunten om dit in het geval van appellant anders te zien en concludeerde dat het Uwv bij de vaststelling van het gemiddeld aantal arbeidsuren en van het dagloon de overuren van appellant terecht buiten aanmerking heeft gelaten.
3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat de werkgever in zijn situatie niet tot een middeling van arbeidstijd per periode is gekomen en dat hij structureel overwerk heeft verricht. Volgens appellant is daarom ten onrechte niet uitgegaan van zijn feitelijke situatie.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Appellant heeft in hoger beroep hetzelfde aangevoerd als hij in beroep aanvoerde. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank op juiste wijze en deugdelijk gemotiveerd waarom het beroep van appellant niet slaagde. De Raad kan zich vinden in de conclusie van de rechtbank en de overwegingen die daartoe hebben geleid.
4.2. De Raad voegt hieraan toe dat het Uwv heeft vastgesteld dat het bij de berekening van de hoogte van de WW-uitkering van appellant in aanmerking genomen loon (in de referteperiode) overeenkomt met het loon dat volgens de opgave van de werkgever in deze periode aan appellant is uitbetaald. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 30 maart 2006, LJN AW5235) ligt het op de weg van de werknemer die pretendeert méér loon ontvangen te hebben dan is vermeld in de administratie van de werkgever, om toereikend bewijs te leveren voor deze stelling. Dit geldt ook indien volgens de werknemer in de referteperiode te weinig loon is uitbetaald. Appellant is ook in hoger beroep niet geslaagd in het leveren van dat bewijs.
4.3. Gelet op het vorenstaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en M.A. Hoogeveen als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2011.
(get.) H.G. Rottier.
(get.) T.J. van der Torn.
EK