ECLI:NL:CRVB:2012:BY0454
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoogte dagloon en referteperiode voor WW-uitkering
Appellante was in dienst bij een werkgever en heeft na 15 december 2006 geen werkzaamheden meer verricht. Zij leed vanaf 16 december 2006 arbeidsurenverlies. Het UWV heeft het dagloon voor haar WW-uitkering berekend op basis van de periode van 5 december 2005 tot en met 3 december 2006.
Appellante betwistte deze referteperiode en stelde dat haar arbeidsurenverlies pas vanaf 1 april 2009 was ingetreden, en dat haar werkelijke loon hoger was dan door de werkgever opgegeven. Zij voerde aan dat zij deels contant werd betaald en dat de loonspecificaties geen juist beeld gaven.
De Raad overwoog dat het feitelijke arbeidsurenverlies bepalend is en dat het voortbestaan van de arbeidsovereenkomst niet relevant is. Vast stond dat de werkgever niet wilde dat appellante na 15 december 2006 nog werkte. De Raad vond het UWV terecht uitgegaan van het loon dat de werkgever aan de belastingdienst had opgegeven, en appellante slaagde er niet in aannemelijk te maken dat haar loon hoger was.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het dagloon is correct vastgesteld door het UWV.