ECLI:NL:CRVB:2011:BP9654
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- R.H.M. Roelofs
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg
Betrokkene ontving sinds 1996 een nabestaandenpensioen op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) vermoedde dat betrokkene en een getuige een gezamenlijke huishouding voerden, wat de rechtmatigheid van de uitkering in twijfel trok. Na uitgebreid onderzoek trok de Svb de uitkering in per september 2000 en vorderde onterecht ontvangen bedragen terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, omdat volgens haar niet aan het vereiste van wederzijdse zorg was voldaan, ondanks het gezamenlijk hoofdverblijf. De Raad vernietigt deze uitspraak en oordeelt dat het zonder betaling bieden van huisvesting en de zorg die betrokkene en getuige elkaar boden, zoals oppassen en administratieve hulp, wel degelijk voldoen aan het vereiste van wederzijdse zorg.
De Raad bevestigt dat betrokkene en getuige sinds augustus 2000 een gezamenlijke huishouding voeren en dat de intrekking van de nabestaandenuitkering terecht was. Het beroep van betrokkene tegen de intrekking en terugvordering wordt ongegrond verklaard. De Raad wijst verder proceskostenveroordeling in hoger beroep af.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene tegen de intrekking en terugvordering van de nabestaandenuitkering wordt ongegrond verklaard.