ECLI:NL:CRVB:2011:BP3000
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering en toepassing anticumulatiebepaling met terugwerkende kracht
Appellante ontving sinds 1991 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Vanaf 1999 was zij tevens als zelfstandige actief en gaf zij haar inkomsten door aan het Uwv. Het Uwv paste artikel 44 WAO Pro toe en stopte de uitkering met terugwerkende kracht over de jaren 1999 tot en met 2004, omdat de inkomsten als zelfstandige de uitkering beïnvloedden.
Appellante voerde aan dat zij al vóór haar arbeidsongeschiktheid 20 uur per week als zelfstandige werkte, zodat deze inkomsten buiten beschouwing moesten blijven bij de maatmanvaststelling. De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij vóór haar uitval structureel als zelfstandige werkte. Diverse verklaringen en rapportages boden onvoldoende bewijs.
De Raad bevestigde dat toepassing van artikel 44 WAO Pro met terugwerkende kracht is toegestaan en niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel, mede omdat appellante haar inkomsten kende en het Uwv pas later tot stopzetting overging. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heropend voor nadere behandeling.
De Raad vernietigde het bestreden vonnis voor zover het de rechtsgevolgen van het eerdere besluit in stand liet, verklaarde het beroep tegen het latere besluit ongegrond, en veroordeelde het Uwv tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Raad bevestigt de terugwerkende toepassing van artikel 44 WAO en wijst het beroep van appellante tegen het besluit van 22 november 2010 af.