ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7965
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in bestuursrechtelijke procedure
Betrokkene had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het UWV en vervolgens hoger beroep ingesteld. De procedure in drie instanties duurde ruim vier jaar, waarbij de rechterlijke fase meer dan drieënhalf jaar in beslag nam. De Raad stelde vast dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, was overschreden.
De Staat erkende de overschrijding en bood een vergoeding van €500 aan, passend bij een overschrijding van twee maanden. Betrokkene vorderde een hogere vergoeding van €1.500 vanwege de langere duur van het hoger beroep. De Raad oordeelde dat de totale procedureduur van ruim vier jaar de grondslag vormt voor de vergoeding en dat een langere duur van het hoger beroep op zichzelf geen extra vergoeding rechtvaardigt.
De Raad veroordeelde de Staat tot betaling van €500 aan betrokkene en tot vergoeding van proceskosten van €218,50. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 10 juni 2011.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €500 schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.