ECLI:NL:CRVB:2018:4106
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing individuele inkomenstoeslag wegens niet langdurig laag inkomen
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een individuele inkomenstoeslag, welke door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam is afgewezen. Het college baseerde het besluit op artikel 36 van Pro de Participatiewet en de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016, waarbij werd vastgesteld dat appellant niet gedurende de volledige referteperiode van vijf jaar een laag inkomen had. Tevens was een terugvordering van het college wegens teveel betaalde bijstand niet binnen de referteperiode afgelost.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de referteperiode van vijf jaar te lang was en dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat geen sprake was van langdurig laag inkomen. Ook stelde appellant dat het bedrag dat moest worden afgelost te verwaarlozen was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de referteperiode van vijf jaar niet onrechtmatig is en verwees naar eerdere uitspraken waarin deze kwestie uitvoerig is behandeld. Het college had voldoende gemotiveerd dat appellant in de referteperiode een hoger inkomen had dan de bijstandsnorm en dat de terugvordering niet was afgelost. Het beroep slaagde niet en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 13 december 2018.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de individuele inkomenstoeslag wordt bevestigd.