ECLI:NL:CRVB:2018:4105
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering individuele inkomenstoeslag wegens onvoldoende langdurig laag inkomen
Appellante verzocht om een individuele inkomenstoeslag, welke door het college werd afgewezen op grond van artikel 36 van Pro de Participatiewet en de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016. Het college stelde dat appellante niet gedurende de gehele referteperiode van vijf jaar voorafgaand aan 1 januari 2016 een laag inkomen had, mede omdat zij in een deel van die periode een hoger inkomen dan de bijstandsnorm ontving. Tevens was een openstaande vordering van het college niet binnen de referteperiode afgelost.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de referteperiode van vijf jaar te lang was en dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat geen sprake was van langdurig laag inkomen. De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin de referteperiode als rechtmatig werd beoordeeld en stelde dat het aan appellante was om aannemelijk te maken dat zij aan de voorwaarden voldeed.
De Raad concludeerde dat het college voldoende had gemotiveerd dat appellante niet voldeed aan de inkomenseis en dat de openstaande vordering niet was afgelost binnen de referteperiode. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de individuele inkomenstoeslag bevestigd.