ECLI:NL:CRVB:2018:4112
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering individuele inkomenstoeslag wegens onvoldoende langdurig laag inkomen
Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een individuele inkomenstoeslag, welke door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam is afgewezen op grond van artikel 36 van Pro de Participatiewet en de geldende verordening. Het college stelde dat appellante in de vijf jaar voorafgaand aan 1 januari 2016 niet gedurende de gehele periode een laag inkomen had, omdat zij in bepaalde periodes een hoger inkomen dan de bijstandsnorm had. Tevens waren terugvorderingen van het college niet binnen de referteperiode afgelost.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen het besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de referteperiode van vijf jaar te lang is en dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat er geen sprake was van langdurig laag inkomen. De Centrale Raad van Beroep verwijst naar eerdere uitspraken waarin de referteperiode niet onrechtmatig werd bevonden en stelt dat het aan de betrokkene is om aannemelijk te maken dat het inkomen binnen de referteperiode niet hoger was dan de bijstandsnorm.
De Raad oordeelt dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat appellante niet aan de voorwaarden voldoet en dat de terugvorderingen niet zijn afgelost binnen de referteperiode. Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de individuele inkomenstoeslag wegens het ontbreken van langdurig laag inkomen binnen de referteperiode.