ECLI:NL:CRVB:2010:BM5019
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over WAZ-uitkering en winsttoerekening zelfstandig dierenarts
Betrokkene, een zelfstandig dierenarts werkzaam in maatschapsverband, maakte bezwaar tegen besluiten van het UWV over de toekenning en hoogte van zijn WAZ-uitkering per 6 juli 2001. Centraal stond de juiste toerekening van de nettowinst tussen betrokkene en zijn echtgenote, die als telefonische achterwacht meewerkte, en de invloed van een particuliere arbeidsongeschiktheidsuitkering (Movir) op de winst.
De rechtbank had het bezwaar gegrond verklaard en het besluit vernietigd wegens onjuiste toepassing van de A/B-factor en onjuiste waardering van de werkzaamheden van de echtgenote. Het UWV nam daarop een nieuw besluit, maar betrokkene bleef bezwaar maken, onder meer over de periode waarover inkomsten uit arbeid moesten worden meegewogen en de waardering van de echtgenote's inzet.
De Raad oordeelt dat het UWV terecht van de fiscale winstverdeling is afgeweken, maar dat de motivering onvoldoende is, met name over de loonwaarde van de echtgenote als telefonische achterwacht. Ook blijft onduidelijk of de periode van drie of vijf jaren geldt voor de toepassing van artikel 58 WAZ Pro. De particuliere arbeidsongeschiktheidsuitkering behoort niet tot de winst uit onderneming. De Raad bevestigt de eerdere uitspraak, verklaart het beroep gegrond en vernietigt het nieuwe besluit, met het bevel tot een nieuw besluit met inachtneming van de overwegingen.
Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van betrokkene en legt griffierecht op. De mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer blijft ongewijzigd.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit op bezwaar van 13 oktober 2009 vernietigd en het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen.